Architectuur die welzijn en gezondheid bevordert

Het onderzoek naar welzijn richt zich niet op gezondheidsproblemen, maar juist op positief gedrag dat ervoor zorgt dat de bevolking floreert. In dit artikel gaan we met name in op de eigenschappen van de bebouwde omgeving die dergelijk positief gedrag ondersteunen.

Door Koen Steemers, hoogleraar Duurzaam ontwerpen en is hoofd van de afdeling Architectuur aan de universiteit van Cambridge.

Of mensen gezond zijn of niet wordt bepaald door hun omstandigheden en omgeving. Allerlei factoren, zoals de plek waar we wonen, de omgeving waarin we leven, de genen die we hebben meegekregen, ons inkomen, ons opleidingsniveau en onze relaties met vrienden en familie, hebben allemaal aanzienlijke invloed voor onze gezondheid ..."

Wereldgezondheidsorganisatie: De determinanten van gezondheid, http://www.who.int/hia/evidence/doh/en/

Het ontwerp van bebouwde omgeving heeft invloed op onze gezondheid en ons welzijn en kan langetermijngevolgen hebben voor de kwaliteit van leven. De publicatie van Nudge: Improving health, wealth and happiness door Richard Thaler en Cass Sunstein in 2008 had veel invloed op de welzijnsdiscussie omdat daarin werd onthuld dat gedrag sterk kan worden beïnvloed door de context1. Je kunt mensen aanzetten tot het nemen van betere beslissingen op een grotendeels automatische, niet-dwingende en eenvoudige manier, door veranderingen aan te brengen in de, wat Thaler en Sunstein 'keuzearchitectuur' noemen.

Gratis E-book  Daglicht & architectuur  Download ons e-book en lees alles over de effecten van daglicht in onze  gebouwde samenleving en de vuistregels voor het ontwerp en gebruik van gebouwen  voor meer welzijn. E-book direct downloaden

Kan de architectuur keuzearchitectuur maken? De rol die de architectuur kan spelen lijkt evident: "Ontwerpgestuurde interventies kunnen het maken van betere keuzes vereenvoudigen of gedrag juist beperken door bepaalde handelingen
moeilijker te maken"
2.

Wanneer we praten over het welzijn in gebouwen, is het belangrijker om het te hebben over een breed scala van zowel kwantitatieve als kwalitatieve gezondheidsoverwegingen dan de focus te richten op enkele nauw omschreven criteria. Dit 'denken in silo's' helpt gewoonlijk niet bij het creëren van een goed ontwerp (perfectionisme kan verlammend werken) en vaak staan de verschillende criteria met elkaar op gespannen voet. Een alternatieve benadering is het bepalen van 'goed genoeg'-strategieën die de diversiteit en het aanpassingsvermogen vergroten en die de gebruiker centraal stellen.

Deze strategieën zijn niet bedoeld om de mogelijk chronische gezondheidsgevolgen van een slechte binnenmilieukwaliteit voor bepaalde bevolkingsgroepen (dat wil zeggen grote gevolgen voor een kleine populatie) te ontkennen, maar om de aanpak van gezondheidsproblemen meer in evenwicht te brengen en aan te vullen met strategieën om het welzijn van de bevolking in het algemeen te verbeteren (dat wil zeggen een bescheiden verbetering voor een grote populatie).

De structuur van dit artikel bestaat uit drie delen. In het eerste deel worden de ruimtelijk relevante definities van welzijn en hun relatie tot gezondheid besproken. In het tweede deel worden op basis van onderzoeksbevindingen de implicaties en kansen voor de architectuur bepaald. Tot slot worden in het laatste deel vuistregels gegeven en architecturale voorstellen gedaan die bevindingen illustreren.

Gezondheid en welzijn definiëren

De Wereldgezondheidsorganisatie definieert gezondheid momenteel niet meer als de afwezigheid van slechte gezondheid, maar als 'een toestand van volledig fysiek, mentaal en sociaal welzijn'3. De definitie van gezondheid is aan het veranderen en omvat nu een bewustzijn van de onderlinge relaties tussen sociale, psychologische en ook medische factoren. De manier waarop een individu in de samenleving functioneert, wordt gezien als onderdeel van de definitie van gezondheid, naast biologische en fysiologische symptomen. Gezondheid is niet langer alleen een kwestie van toegang tot medische behandeling, maar wordt bepaald door een reeks factoren die verband houden met de kwaliteit van onze bebouwde omgeving4.

Deze ruimere definitie van gezondheid komt in een tijd van toenemende druk op gezondheidsdiensten als gevolg van een verouderende bevolking, toenemende obesitas, toenemende geestelijke gezondheidsproblemen en hogere verwachtingen5. Daarom is de eenzijdige nadruk op individuele symptomen en medische behandelingen niet langer voldoende of verdedigbaar en is de tijd gekomen voor een meer holistische benadering van het spectrum van gezondheidsgerelateerde kwesties, waaronder het voorkomen van een slechte gezondheid. In deze benadering worden "gezondheid en welzijn gezien als twee onderling afhankelijke zaken, is 'preventie' even belangrijk als 'genezing' en wordt gezocht naar langetermijnoplossingen in plaats van naar direct realiseerbare behandelingen"6. Gezond blijven thuis en in je gemeenschap is de manier om de toenemende druk op gezondheidsdiensten te beperken. Hier ligt de kans voor architecten om een woon-, buurt- en werkomgeving te ontwerpen die de gezondheid en het welzijn van mensen verbetert.

Op het gebied van duurzame ontwikkeling wordt vaak verwezen naar het basistriplet 'fysiek, economisch en sociaal'. Voor gezondheid en welzijn zou kunnen worden verwezen naar een vergelijkbaar basistriplet bestaande uit gezondheid, comfort en geluk. Om meer directe parallellen te trekken met de bebouwde omgeving, kunnen we verwijzen naar Vitruvius en zijn drieledige model van de drie elementen die nodig zijn voor een goed ontworpen gebouw7:

  1. 'firmitas' of stevigheid (gezondheid)
  2. “utilitas' of gebruiksvriendelijkheid 

    (comfort)

  3. 'venustas' of schoonheid (geluk)

Student in class with facade windows

Fotografie: Thekla Ehling

In deze context wordt in meer conventionele termen naar gezondheid verwezen als 'de afwezigheid van ziekte' en doorgaans is gezondheid dan meetbaar door te kijken naar symptomen, zoals lichaamstemperatuur of bloedchemie. Comfort wordt over het algemeen beschouwd als een "gemoedstoestand die tevredenheid met de omgeving uitdrukt"8. Daarbij kan het onder andere gaan over thermisch, akoestisch of visueel comfort. Comfort omvat dus zowel kwalitatieve psychologische aspecten (bijvoorbeeld verwachting of controle) als kwantitatieve fysieke aspecten (bijvoorbeeld temperatuur, of luchtbeweging).

Geluk verwijst in de omgangstaal naar het ervaren van emoties, die kunnen variëren van tevredenheid tot vreugde. Geluk is daarom in de eerste plaats een subjectieve en kwalitatieve overweging. Desondanks is men bij onderzoek in de afgelopen tien jaar begonnen met het definiëren van de term 'welzijn'. Deze definitie wordt in dit artikel meer in detail behandeld.

Een belangrijke uitdaging is de kwantificering van gezondheid en welzijn en daarmee de beoordeling van de algehele gezondheidsprestaties van een gebouwontwerp. Aan de ene kant van het spectrum is een slechte fysieke gezondheid meestal identificeerbaar en meetbaar in termen van de symptomen en oorzaken. Zo kunnen de luchtkwaliteit (die onder andere wordt bepaald door te kijken naar de hoeveelheid vluchtige organische verbindingen, fijnstof of CO2 in de lucht) en de impact daarvan op met name kwetsbare bewoners van een gebouw (zoals kinderen, mensen met longaandoeningen en ouderen), worden gekwantificeerd en er kunnen zelfs behandelingen van zowel de bewoners als de gebouwen worden voorgeschreven (bijvoorbeeld verbeterde ventilatie, verwijdering van schadelijke materialen en ontwerpingrepen om bijvoorbeeld schimmelgroei te voorkomen).

Hoewel een subjectieve beoordeling van de luchtkwaliteit, met name de beoordeling van de geur, nuttige inzichten kan opleveren, kunnen gezondheidsbedreigende indicatoren alleen worden gemeten. Er kunnen specifieke criteria en ontwerpstrategieën worden gedefinieerd om chronische fysiologische gezondheidsproblemen aan te pakken en er is een schat aan expertise om deze criteria en strategieën te ondersteunen9.

Aan de andere kant van het gezondheids- en welzijnsspectrum bevindt zich het mentale welzijn of geluk. Als we overgaan van het ene deterministisch-medische uiteinde naar het andere subjectief-psychologische uiteinde, is de algemene perceptie dat de nadruk verschuift van kwantitatief naar kwalitatief. Het is nu echter duidelijk dat er zelfs binnen het kader van subjectieve parameters nieuwe methoden en indicatoren kunnen worden gedefinieerd.

Op het gebied van thermisch comfort is er bijvoorbeeld een ontwikkeling te zien van een enge en nauwkeurige fysiologische comforttheorie, gebaseerd op het baanbrekende werk van Fanger10, naar een meer holistisch begrip, dat heeft geleid tot de adoptie van de adaptieve comforttheorie11.  Op dezelfde manier heeft ook het gezondheidsonderzoek zich uitgebreid van de pure behandeling van symptomen naar een bredere en meer holistische benadering van het welzijn van de bevolking. En 'welzijn' is het onderwerp dat centraal staat in dit artikel.

Het begrip 'welzijn' bestaat uit twee hoofdelementen: je goed voelen en goed functioneren. Gevoelens van geluk, nieuwsgierigheid en betrokkenheid zijn kenmerkend voor iemand met een positief gevoel over zichzelf. Positieve relaties hebben, controle hebben over je eigen leven en een gevoel van doelgerichtheid zijn allemaal kenmerken van goed functioneren. Er is onlangs internationaal bewijs verzameld om het welzijn te meten, wat aantoont dat dit veld nu zo langzamerhand als een volwassen discipline
wordt beschouwd
12.

Recent onderzoek heeft aangetoond dat er verbanden zijn tussen de belangrijkste fysieke ontwerpkenmerken en de vijf manieren om welzijn te bevorderen (Maak contact, Blijf actief, Wees opmerkzaam, Blijf leren en Geef) die in verband zijn gebracht met een positieve mentale gezondheid.13 Op basis van deze bevindingen wordt in de volgende paragrafen uiteengezet hoe het bieden van resources in de lokale stedelijke omgeving en in woningen en andere gebouwen effect kan hebben op de vijf gezondheidsbevorderende gedragingen. Dit ondersteunt de huidige theorie en recent onderzoek waaruit blijkt dat de aanwezigheid van verschillende gemeenschappelijke, sociale en materiële resources in voldoende hoeveelheden en kwaliteit van invloed is op de menselijke cognitie, wat op zijn beurt gezond gedrag van de gehele bevolking kan bevorderen.

Young children at school walking towards class

Fotografie: Thekla Ehling

Ontwerp en welzijn

Afgezien van de ontwerpvereisten voor 'gezonde gebouwen', heeft de relatie tussen architectuur en gezondheid in het verleden weinig aandacht gekregen. Recent onderzoek heeft dit veranderd en heeft een meer holistisch bewustzijn tot stand gebracht van de rol die architectuur kan spelen bij het bevorderen van de gezondheid. Zo zijn in het Verenigd Koninkrijk rapporten gepubliceerd van het Royal Institute of British Architects14 en de Commission for Architecture and the Built Environment15.

Dat architectuur een rol kan spelen bij het bevorderen van gezondheid wordt ondersteund door een toenemend aantal medische onderzoeken met betrekking tot de lichamelijke16 en geestelijke gezondheid17. De nadruk lag in het verleden vaak op slechte gezondheid als gevolg van de effecten van omgevingskenmerken, zoals overbevolking, geluid, luchtkwaliteit en licht. Deze effecten worden meestal omschreven als directe effecten (dat wil zeggen gevolgen voor de fysieke en mentale gezondheid) en indirecte effecten (bijvoorbeeld via sociale mechanismen)18. Het onderzoek naar welzijn richt zich echter niet op gezondheidsproblemen, maar juist op positief gedrag dat ervoor zorgt dat de bevolking floreert. Hier gaan we met name in op de eigenschappen van de bebouwde omgeving die dergelijk positief gedrag ondersteunen.

De wetenschap van het welzijn is een relatief recent onderzoeksgebied. Het 'Foresight'-project van de Britse regering dat betrekking heeft op welzijn19, heeft de overtuigende hoeveelheid bewijs opgeleverd dat heeft geleid tot de hierboven genoemde vijf manieren om welzijn te bevorderen20. Deze vijf manieren vertegenwoordigen de belangrijkste gedragingen waarvan is aangetoond dat ze verband houden met een verbeterd welzijn. Elke gedraging wordt in verband gebracht met subjectief welzijn, zoals gerapporteerd in onderzoeksdocumenten, met name in medische tijdschriften, die gebaseerd zijn op grootschalige meta-analyses van gedegen studies. Er is dus geen tekort aan bewijs om de aanname te ondersteunen dat dergelijke gedragingen (op basis van de vijf manieren om welzijn te bevorderen) resulteren in een verbeterd welzijn. 

  • Maak contact: Er is een correlatie gerapporteerd tussen de kwantiteit en kwaliteit van sociale contacten (zoals praten met en luisteren naar familieleden of vreemden) en zowel welzijn als fysieke gezondheid21.

  • Blijf actief: Er is meer dan voldoende bewijs uit wereldwijde onderzoeken en meta-onderzoeken dat aantoont dat fysieke activiteit symptomen van mentale en fysieke gezondheidsproblemen vermindert22.

  • Wees opmerkzaam: Aandacht schenken aan het hier en nu je bewust zijn van je gedachten en gevoelens, is gedrag dat stress en angst- en depressieklachten vermindert23.

  • Blijf leren: Aspiraties worden gevormd in iemands jonge jaren en diegenen die hogere aspiraties hebben, hebben gewoonlijk ook meer succes. Dergelijke aspiraties worden aangepast door de omgeving24. Uit de gegevens blijkt dat deelname aan muziek- of kunstactiviteiten of bijvoorbeeld avondcursussen, ook op latere leeftijd, zorgt voor een hoger subjectief welzijn25.

  • Geef: Er is bewijs gevonden dat prosociaal in plaats van egocentrisch gedrag een positieve invloed heeft op iemands geluk. Dergelijke positieve effecten van altruïstisch gedrag doen zich voor bij het besteden van tijd aan anderen in plaats van aan jezelf26 maar ook bij het doen van vrijwilligerswerk of het bieden van hulp27.

De cruciale vervolgvraag is: op welke manier hebben de vijf manieren om welzijn te bevorderen betrekking op de bebouwde omgeving en op welke manier worden ze door de bebouwde omgeving beïnvloed?

Maark contact

Het aanbieden van lokale 'alledaagse openbare ruimtes' creëert mogelijkheden voor mensen om met elkaar in contact te komen en vormt een belangrijke bron van welzijn voor individuen en de bredere gemeenschap28. Hoewel niet alle gebruikers dezelfde eisen stellen en verwachtingen hebben ten aanzien van een sociale ruimte, zijn de kernkwaliteiten: locatie – toegankelijk en in de nabijheid van andere openbare voorzieningen (school, markt) om toevallige ontmoetingen mogelijk te maken; plaatsen om te stoppen en te zitten op een parkbank of aan een cafétafel, zodat ontmoetingen meer dan vluchtig kunnen zijn; aanpasbaar – ruimtes zonder specifieke of voorgeschreven functies die spontane, geïmproviseerde activiteiten mogelijk maken; gezellig – een gevoel van veiligheid en vertrouwdheid; - plezierig – schoon en rustig of juist bruisend en levendig; speciaal – unieke eigenschappen, esthetiek of subjectieve herinneringen.

Wanneer een ruimte gericht is op voetgangers en niet op auto's, bevordert dat de gemeenschapszin omdat de perceptie van een omgeving die is bedoeld voor voetgangers, bijzonder sterk gerelateerd is aan mogelijkheden voor sociale interactie29. En tot slot worden natuurlijke, groene of landschappelijke kwaliteiten algemeen, en ook al heel lang, in verband gebracht met een reeks voordelen voor de gezondheid30. Samenvattend kan worden gezegd dat 'openbare ruimtes' die mensen bij elkaar brengen en waar vriendschappen en ondersteuningsnetwerken ontstaan en worden onderhouden, van essentieel belang zijn voor een algemeen gevoel van welzijn31.

Blijf actief

Lichamelijke activiteiten (wandelen, fietsen, sporten enzovoort) worden algemeen in verband gebracht met het beperken van de oorzaken van chronische aandoeningen en de risico's van ziekte, invaliditeit en vroegtijdige dood. Ontwerpkenmerken die ertoe kunnen leiden dat mensen actiever worden, zijn onder andere faciliteiten voor sportbeoefening (zoals sportcentra en sportmateriaal), bestemmingen (werk, winkels, school, openbaar vervoer) die zich in de buurt bevinden en gemakkelijk zijn te bereiken, een hoge woondichtheid (die met zich meebrengt dat voorzieningen en bestemmingen zich dichterbij bevinden), landgebruik (bijvoorbeeld gemengd gebruik) en wandelvriendelijkheid (brede en veilige trottoirs, verkeersremmende voorzieningen)32.

Hoewel fysieke activiteiten in de buitenlucht, en dan bij voorkeur in een natuurlijke omgeving, potentiële extra voordelen kunnen opleveren, kan lichaamsbeweging binnenshuis even effectief zijn33. Ontwerpstrategieën om lichamelijke activiteit binnenshuis te bevorderen, zijn onder meer: Het bieden van een (gedeelde) oefenruimte, het aanmoedigen van het gebruik van de trap door de verdeling (scheiding) van functies over verschillende etages en het creëren van aantrekkelijke ervaringen langs wandelroutes (uitzicht, kunst, daglicht, groen).

Wees opmerkzaam

Dat een ontwerpingreep in een populatie ertoe kan leiden dat mensen opmerkzamer worden en zich meer bewust worden van de wereld om het heen, is iets waarvoor pas sinds kort bewijs bestaat. Uit een gerandomiseerde controletest kwam echter naar voren dat het tonen van kunst, het aanbrengen van beplanting en landschapsarchitectuur, het plaatsen van voorzieningen voor het aantrekken van natuur (bijvoorbeeld insectenhotels) en het aanbrengen van zitplaatsen voorbeelden zijn van ontwerpingrepen die resulteren in een aanzienlijk toegenomen aantal observaties van mensen die stoppen om kennis te nemen van de wereld om hen heen34.

Hetzelfde onderzoek toonde ook aan dat diverse soorten open ruimte met een combinatie van groen en verharde oppervlakken en een relatief groter publiek gedeelte dan een privégedeelte, ook in verband wordt gebracht met toegenomen gerapporteerde opmerkzaamheid (mindfulness).

Blijf leren

Er zijn aanwijzingen uit onderwijskundig onderzoek dat de fysieke omgeving thuis en de klassikale omgeving mediërende variabelen zijn die de intellectuele ontwikkeling beïnvloeden. Tot de parameters van de huiselijke omgeving behoren een schoon en opgeruimd huis waar veilig kan worden gespeeld en waar het niet donker of saai is35.  De oriëntatie van de zitplaatsen en de onderlinge afstand tussen de zitplaatsen heeft invloed op de interactie en dialoog tussen mensen. Als de zitplaatsen in een kring worden gezet, zitten mensen tegenover elkaar en zullen ze meer met elkaar converseren dan mensen die naast elkaar zitten. Onbelemmerd oogcontact is een belangrijke variabele, met name in een educatieve context, wat betekent dat in een klaslokaal de plaatsing van stoelen en tafels in een halve cirkel het meest effectief is36. Op een meer praktisch niveau moeten binnenruimtes, om het leren te ondersteunen, comfortabele, veilige en goed verlichte ruimtes zijn, waar een aangename temperatuur heerst, waar het rustig is en waar de lucht schoon is.

Er is echter bewijs dat leerprestaties weliswaar beter worden als je leerlingen verplaatst van een ongeschikte ruimte (bijvoorbeeld een vervallen en slecht onderhouden lokaal) naar een geschikte ruimte (een ruimte die 'goed genoeg' is), maar dat het toevoegen van meer en buitensporige faciliteiten (gespecialiseerde ruimtes of digitale apparatuur) geen verdere verbeteringen in de leerprestaties teweegbrengt37. Zoals al eerder is vermeld, verhoogt de mogelijkheid om deel te nemen aan kunst- en muziekactiviteiten en avondcursussen het welzijn en daarom moet er plaats worden ingeruimd voor dergelijke activiteiten in het ontwerp van huizen (lichte, eenvoudig schoon te maken ruimtes voor het creëren van kunst, geluiddichte ruimtes voor het maken van muziek) en buurten (lokale gemeenschappelijke ruimtes voor cursussen).

Geef

De aanwezigheid van stressfactoren in een omgeving vermindert de neiging om anderen te helpen, maar afgezien van hetgeen hiervoor is besproken, is er verder weinig expliciet bewijsmateriaal beschikbaar dat aantoont de fysieke omgeving in verband brengt met het sociale kapitaal van een buurt38. Er zijn aanwijzingen dat mensen minder altruïstisch zijn in stedelijke dan in landelijke omgevingen, wat in elk geval bevestigt dat het integreren van groene ruimte in een stad en contact met de natuur waardevol kunnen zijn39.

Hoewel het lastig is om altruïsme en de expliciete relatie van altruïsme tot ontwerpparameters te observeren, kan worden aangetoond dat zelfgerapporteerd altruïstisch gedrag vaker voorkomt in buurten met een ruimteontwerp dat de positieve omgevings- en fysieke kenmerken vertoont (diversiteit, nabijheid, toegankelijkheid en kwaliteit) die al eerder zijn genoemd40.

Children and mother outside school on playground on their way home

Fotografie: Thekla Ehling

Voetnoten:

  1. Thaler, R., & Sunstein, C. (2008). Nudge: Improving decisions about health, wealth and happiness. New Haven, CT: Yale University Press.
  2. King, D., Thompson, P.,&Darzi, A.(2014).Enhancing health and well-being though ‘behavioural design’. Journal of the Royal Society of Medicine, 336–337.
  3. WHO. (2001). Fifty-fourth World Health Assembly. Geneva: World Health Organization.
  4. CABE. (2009). Sustainable places for health and Well-being. London: Commission for Architecture and the Built Environment.
  5. Donaldson, L. (2009, February 2). The great survivor: Another 60 years. New Statesman. WHO. (2001). Fifty-fourth World Health Assembly. Geneva: World Health Organization.
  6. CABE. (2009). Sustainable places for health and Well-being. London: Commission for Architecture and the Built Environment.
  7. Morgan, M. H. (1960). Vitruvius: The Ten Books on Architecture. New York: Dover Publications.
  8. ISO. (2005).7730:2005 – Ergonomics of the thermal environment. International Organization for Standardization.
  9. Bluyssen, P. (2013).The Healthy Indoor Environment. Abingdon: Routledge.
  10. Fanger, P. (1970).Thermal comfort: Analysis and applications in environmental engineering. Copenhagen: Danish Technical Press.
  11. de Dear, R., & Brager, G. (1998). Towards an adaptive model of thermal comfort and preference. ASHRAE Transactions, 145–167. Nicol, J., & Humphreys, M. (2002). Adaptive thermal comfort and sustainable thermal standards for buildings. Energy and Buildings, 563–572. Baker, N., & Stand- even, M. (1996). Thermal comfort for free-running buildings. Energy and Buildings, 175–182.
  12. Huppert, F., & So, T. (2013). Flourishing across Eu- rope: Application of a new conceptional framework for defining well-being. Social Indicators Research, 837–861.
  13. Anderson, J. (2014). Urban design and well-being. Cambridge: Doctoral thesis, University of Cambridge. Aked, J., Michaelson, J., & Steuer, N. (2010). Good foundations: Towards a low carbon, high well-being built environment. London: New Economics Foundation.
  14. Roberts-Hughes, R. (2013). City Health Check: How design can save lives and money. London: RIBA.
  15. CABE. (2009). Sustainable places for health and Well-being. London: Commission for Architecture and the Built Environment.
  16. NICE. (2008). Promoting and creating built or natural environments that encourage and support physical activity. London: National Institute for Health and Clinical Excellence.
  17. Dalgard, O., & Tambs, K. (1997). Urban environment and mental health: A longitudinal study. British Journal of Psychiatry, 530–536.
  18. Evans, G. (2003). The Built Environment and Mental Health. Journal of Urban Health, 536–555.
  19. Foresight. (2008). Mental capital and well-being. London: The Government Office for Science.
  20. Aked, J., Thompson, S., Marks, N., & Cordon, C. (2008). Five ways to well-being: The evidence. London: New Economics Foundation.
  21. Foresight. (2008).Mental capital and well-being. London: The Government Office for Science. Dolan, P., Peasgood, T., & White, M. (2008). A review of the economic literature on the factors associated with subjective well-being. Journal of Economic Psychology, 94–122. Helliwell, J., & Putnam, R. (2004). The social context of well-being. Philos Trans R Soc Lond B Biol Sci, 1435–1446. 22.
  22. Krogh, J., Nordentoft, M., Sterne, J., & Lawlor, D. (2011). The effect of exercise in clinically depressed adults: systematic review and meta-analysis of randomized controlled trials. J Clin Psychiatry, 529–538. Lee, I., Shiroma, E., Lobelo, F., Pushka, P., Blair, S., & Katzmarzyk, P. (2012). Impact of physical activity on the world’s major non-communicable diseases. Lancet, 219–229. Sofi, F., Valecchi, D., Bacci, D., Abbate, R., Gensini, G., Casini, A., et al. (2011). Physical activity and risk of cognitive decline: a meta-analysis of prospective studies. J Intern Med, 107–117.
  23. Chambers, R., Gullone, E., & Allen, N. (2009). Mindful emotion regulation: An integrative review.Clinical Psychology Review, 560–572. Hofmann, S., Sawyer, A., Witt, A.,&Oh, D.(2010).The effect of mindfulness-based therapy on anxiety and depression: A meta-analytic review. J Consult Clin Psychol, 169–183. Tang, Y., Yang, L., Leve, L., & G.T., H. (2012). Improving executive function and its neurobiological mechanisms through a mindfulness-based intervention: Advances within the field of developmental neuroscience. Child Dev Perspect, 361–366.
  24. Gutman, L., & Akerman, R. (2008).Determinants of aspiration. London: Centre for Research on the Wider Benefits of Learning, Institute of Education.
  25. Jenkins, A. (2011). Participation in learning and well-being among older adults. International Journal of Lifelong Education, 403–420. Aknin, L., C.P., B.-L., Dunn, E., Helliwell, J., Biswas- 496.
  26. Diener, R., Kemeza, I., et al. (2010). Prosocial spending and well-being: Cross-cultural evidence for a psychological universal. Cambridge (MA): National Bureau of Economic Research. Dunn, E., Aknin, L., & Norton, M. (2008). Spending money on others promotes happiness. Science, 1687– 1688.
  27. Plagnol, A., & Huppert, F. (2010). Happy to help? Exploring the factors associated with variations in rates of volunteering across Europe. Social Indicators Research, 157–176. Meier, S., & Stutzer, A. (2008). Is volunteering rewarding in itself? Economica, 39–59.
  28. Cattell, V., Dines, N., Gesler, W., & Curtis, S. (2008). Mingling, observing, and lingering: everyday public spaces and their implications for well-being and social relations. Health Place, 544–561.
  29. Lund, H. (2002). Pedestrian environments and sense of community. Journal of Planning Education and Research, 301–312.
  30. Ward Thompson, C. (2011). Linking landscape and health: The recurring theme. Landscape and Urban Planning, 187–195.
  31. Cattell, V., Dines, N., Gesler, W., & Curtis, S. (2008). Mingling, observing, and lingering: everyday public spaces and their implications for well-being and social relations. Health Place, 544–561.
  32. Bauman, A., & Bull, F. (2007). Environmental correlates of physical activity and walking in adults and children: A review of reviews. Loughborough: National Centre for Physical Activity and Health, for the National Institute of Health and Clinical Excellence (NICE).
  33. Thompson Coon, J., Boddy, K., Stein, K., Whear, R., Barton, J., & Depledge, M. (2011). Does participating in physical activity in outdoor natural environments have a greater effect on physical and mental well-being than physical activity indoors? A systematic review. Environ Sci Technol, 1761– 1772.
  34. Anderson, J. (2014). Urban design and well-being. Cambridge: Doctoral thesis, University of Cambridge.
  35. Guo, G., & Harris, K. (2000). The mechanisms mediating the effects of poverty on children’s intellectual development. Demography, 431–447.
  36. Marx, A., Fuhrer, U., & Hartig, H. (2000). Effects of classroom seating arrangements on children‘s question-asking. Learning Environments Research, 249–263
  37. Schneider, M. (2002). Do school facilities affect academic outcomes? Washington D.C.: National Clearinghouse for Educational Facilities.
  38. Honold, J., Wippert, P.-M., & van der Meer, E. (2014). Urban health resources: Physical and social constitutes of neighbourhood social capital. Procedia – Social and Behavioural Sciences, 491–496.
  39. Korte, C., & Kerr, N. (1974). Response to altruistic opportunities in urban and non-urban settings. Social Psychology, 183–184.
  40. Anderson, J. (2014). Urban design and well-being. Cambridge: Doctoral thesis, University of Cambridge.